Inleiding
In de huidige ruimtelijke ontwerppraktijk zijn we continu bezig zijn met het bedenken en maken van eindproducten. Het gevolg van deze benaderingswijze is, dat er daarna geen nieuwe fases in de ruimtelijke ontwikkeling meer optreden. Soms wordt er één of twee stappen verder gedacht, maar dan houdt het denken over de toekomst op. We gaan er van uit dat het landschap, het gebouw of het ruimtelijk plan af zijn en onveranderlijk. Het is moeilijk om verder te kijken dan onze eigen horizon.
De werkelijkheid is echter anders. Eindproducten zijn imaginair. Na het maken van een landschap, tuin of gebouw gaan ontwikkelingen eromheen, erin en erop gewoon verder. Het product moet daarin mee en verliest daarmee zijn onveranderbaar gedachte status. Eigenlijk kan een ruimtelijk product nooit een eindproduct zijn.
Hier ligt een parallel met levende organismen. Deze zijn ook nooit af en uitontwikkeld, maar passen zich aan wisselende omstandigheden aan: ze evolueren. Dit is voor organismen de enige manier om te overleven. Organismen die zich niet aan kunnen passen, redden het niet.
Die evolutie willen we ook graag in het ruimtelijke ontwerp brengen. Dit doen we door in plaats van een eindproduct te maken, een ruimtelijk ontwikkelingsproces te ontwerpen. Hierin proberen we richting te geven aan ruimtelijke ontwikkeling door middel van een aantal parameters, zonder een definitief eindresultaat voor ogen te hebben.
Hoe is het mogelijk om evolutionaire processen te ontwerpen?
Biologische evolutionaire processen hebben primair een structuur die het mogelijk maakt dat ze evolueren. Vertaald naar het ruimtelijk ontwerp: ook daarin moet zo’n structuur (de genen van het ruimtelijk organisme) goed gedefinieerd worden. Het ruimtelijk ontwerp moet genetisch geschikt zijn om te veranderen.
Daarnaast heeft een evolutionair proces een aantal intrinsieke kenmerken. Deze moeten in een ruimtelijk proces ook worden mee ontworpen om een ruimtelijk organisme of systeem op lange termijn te laten overleven.
>> |